Lake Nakuru
De 80 kilometer naar Nakuru kostten ons anderhalf uur, een slechte weg vol gaten. In een optimistisch moment had de regering zelfs tolhokjes opgericht langs de weg, maar deze werden eensgezind door alle weggebruikers genegeerd, al was het mij niet helemaal duidelijk of ze echt buiten gebruik waren.
Het
was even zoeken naar een geschikt hotel, deze keer wilden we graag wel water in
onze badkamer! In Kenia zijn de hotels of erg duur - en dan bedoel ik ook erg
duur, 400 gulden per nacht bijvoorbeeld, of erg goedkoop en dan is de kwaliteit
navenant. Met behulp van onze reisgids (Lonely Planet) vonden we een
middenklasser voor 75 gulden per nacht, nog redelijk duur, maar van een goede
kwaliteit. Warm water heb je maar een klein deel van de dag, maar dat bleek
gezien allerlei rantsoenering maatregelen van de regering in verband met de
droogte (het bleef maar gieten, we begrepen er niets van!) standaard te zijn.
Merkwaardigerwijze waren wij de enige (witte) toeristen in het hele hotel, het
hoogseizoen begint pas in november (het is nu september) en verder blijken de
toeristen bijna alleen in de hotels of op de campings in de nationale parken te
verblijven.
Lake
Nakuru was tot enkele jaren terug dè plaats om flamingo's te
zien. Het waterpeil is echter wat gezakt, waardoor het aantal flamingo's
drastisch afgenomen is. Desondanks zijn er nog massa's flamingo's over.
Flamingo's zijn onweerstaanbaar - in ieder geval voor mij, zoals ik drie rolletjes film
verder moest toegeven. Helaas waren de foto's van flamingo's bij Lake
Bogoria veel mooier, maar ja, dat kon ik nu toch niet weten! Door het
lage waterpeil van Lake Nakuru zijn hele stroken zout bloot komen te liggen,
wat een prachtig wit
glinsterend kontrast oplevert tegen het donkere zand, het blauwe water en de roze
flamingo's. Nog meer foto's dus.
We stoppen even op 'Baboon cliff', een van de weinige plaatsen waar je een eindje mag lopen. Hier tref je bijna evenveel toeristen als bavianen! Bordjes en opgewonden mede toeristen waarschuwen ons voor de agressieve bavianen, die het op ons eten gemunt zouden hebben. En inderdaad, na luttele minuten stort een mannetjes baviaan zich op de uitgebreid uitgestalde picknick van een Engelse familie. Dit gebeuren verbroedert de mannetjes van alle aanwezige families, die vervolgens sluipend rondspiedend alles wat in het struikgewas beweegt met stenen bekogelen. Over agressief gesproken!
En
dan zijn er de neushoorns. Geen agressieve beesten trouwens, je moet je al heel
opvallend gedragen wil een neushoorn je überhaupt zien - maar dan is het ook
oppassen geblazen! In Chitwan park in Nepal hebben we uren gewandeld
voor we onze eerste neushoorn zagen. Hier zien we al een enorm exemplaar na een
half uurtje rondrijden, schijnbaar speciaal voor de toeristen neergepoot - het is
in Lake Nakuru NP drukker dan in de parken waar we tot nu toe geweest zijn.
Onze autoverhuurder had ons uitgelegd waar we neushoorns konden zien en na twee
uurtjes dwalen over zeer slechte zandweggetjes - zo merkwaardig dat altijd
overal bordjes staan tot het moment dat je niet meer weet waar je bent - zagen
we de ene neushoorn na de andere, zelfs een moeder (neem ik aan) met een
baby-neushoorntje. En weer werden we 's middags door een enorme regenbui
verrast.
Toen
we terugreden naar Nakuru door de stromende regen, stonden diverse jongens op
onze banden te wijzen, strategisch opgesteld op enkele honderden meters van
elkaar. Als we niet gewaarschuwd waren door onze autoverhuurder waren we zeker
in paniek gestopt om onze banden te inspecteren. De zand-hobbelweg in het park
was niet best, maar de wegen door Nakuru zelf waren zo mogelijk nog slechter!
Aan
het eind van de middag wil ik nog wat foto's nemen van het dagelijks leven op
straat in het centrum van Nakuru, zeer kleurrijk en levendig. Dit blijkt niet
makkelijk te zijn, lang niet iedereen vindt het leuk om op de foto te gaan. Ook
zonder fototoestel is het vrijwel onmogelijk normaal rond te lopen, we voelen
ons echte buitenstaanders.
De
volgende morgen rijden we vijf kilometer over een onooglijk zandweggetje naar
boven naar de rand van de Menengai
krater,
direct ten noorden van Nakuru. We komen langs hutjes met zwaaiende kindertjes.
Enkele jongetjes rennen gelijk met onze auto op, al bedelend om geld. Vaak geven
we geen geld aan bedelende kinderen, maar voor deze jongetjes maken we een
uitzondering: ze sloven zich zo uit - ze houden de auto makkelijk bij - en geven
ons ook nog aanwijzingen hoe we enkele extra diepe modderkuilen op het smalle
paadje moeten 'nemen' - zeker geen triviale zaak!
Boven
op de kraterrand is het ijskoud en er staat een flinke wind, verder is het wijde
uitzicht beperkt door het slechte weer. Er staat een richtingaanwijzer die
aangeeft in welke richting Mekka ligt - nog maar 2410 kilometer en Tokio: 10988
kilometer! We duiken dus snel weer in onze warme auto - nooit gedacht het nog zo
koud te hebben midden op de evenaar!![]()
Terug naar Virtual Traveling home